
ONDERNEMINGSRECHT
Bespreking van de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 7 augustus 2008 (zaaknummer 105.002.640/01)
De casus:
A, B en C zijn aandeelhouders van A Holding BV, allen tevens werkzaam voor A Holding BV op basis van een managementovereenkomst. A krijgt een burn-out en B en C gaan over tot uitstoting (gedwongen verkoop van aandelen) van A en opzegging van de managementovereenkomst en de aandeelhoudersovereenkomst die B en C met A hadden gesloten.
A verzet zich niet tegen de uitstoting als zodanig, maar wel tegen de uitstootvergoeding. De aandeelhoudersovereenkomst gaat namelijk in geval van arbeidsongeschiktheid uit van een lagere vergoeding dan de werkelijke waarde van de aandelen.
Bij een gedwongen verkoop op grond van een statutaire bepaling is dwingendrechtelijk voorgeschreven dat de vergoeding gelijk moet zijn aan de waarde van de aandelen, vast te stellen door één of meer onafhankelijke deskundigen (artikel 2:195a BW).
A stelt zich op het standpunt dat de clausule in de aandeelhoudersovereenkomst nietig dan wel vernietigbaar is, wegens strijd met artikel 2:195a en dat hij dus geen genoegen zou hoeven te nemen met een lagere vergoeding dan de werkelijke waarde.
Het Hof is het met A eens dat artikel 2:195a van dwingend recht is, maar volgens het Hof verbiedt dit artikel niet om bij overeenkomst anders te bepalen. Het artikel bepaalt immers dat in de statuten geen regeling mag worden opgenomen die een lagere waarde voorschrijft. Het Hof ziet dan ook niet in waarom de contractsvrijheid hier zou moeten terugtreden. Het Hof wijst de vordering van A af.
Het wetsvoorstel inzake de herziening van het BV-recht werd ingediend na de pleidooien in deze zaak, dus het Hof kon daar nog niet op anticiperen. Annotator Stokkermans, die een noot schreef bij deze uitspraak, komt tot de conclusie dat het Hof in het licht van het wetsvoorstel hoogst waarschijnlijk niet tot een andere conclusie zou zijn gekomen. Integendeel, in het wetsvoorstel wordt namelijk mogelijk gemaakt dat in de statuten een afwijking van de wettelijke prijsbepalingsregel wordt opgenomen, die werkt tegen iedere aandeelhouder die daarmee heeft ingestemd.