Kansen bieden

Stamrechtvrijstelling niet van toepassing, omdat te vroeg was uitgekeerd

Stel dat in verband met een ontslag met de voormalige werkgever wordt overeengekomen dat de voormalige werknemer een ontslagvergoeding ontvangt die rechtstreeks wordt gestort op een derdengeldenrekening van het notariskantoor ten gunste van een stamrecht-BV die door de voormalig werknemer is opgericht. De notaris boekt vervolgens de ontvangen ontslagvergoeding over naar de BV onder vermelding van “inzake stamrechtuitkering”. Vervolgens heeft de BV de ontslagvergoeding in twee delen overgeboekt naar een privé-rekening van de voormalig werknemer. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur aan de BV een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd met heffingsrente en vergrijpboete. Volgens de inspecteur is de stamrechtvrijstelling niet van toepassing omdat de voormalige werknemer het geld al heeft ontvangen voordat de BV jegens de voormalige werknemer een stamrechtverplichting op zich had genomen, want de BV en de voormalige werknemer hebben pas 6 weken later een stamrechtovereenkomst ondertekend, toen de vergoeding dus al was overgeboekt door de BV aan privé. Onlangs heeft de Rechtbank Den Haag een dergelijk geval uitspraak gedaan. De BV voerde als verweer onder meer aan dat tussen de BV en de voormalige werknemer reeds mondeling een stamrechtovereenkomst bestond de ontslagvergoeding aan privé werd overgeboekt. Verder stelt de BV dat de naheffingsaanslag niet aan de BV maar aan de notaris had moeten worden opgelegd. Volgens de Rechtbank geldt voor toepassing van de stamrechtvrijstelling (als bedoeld in artikel 11.1.g Wet Loonbelasting) dat daarvan alleen gebruik gemaakt kan worden als de voormalige werknemer op het moment van toepassing van de vrijstelling het bedrag van de ontslagvergoeding nog niet heeft genoten in de zin van artikel 13a Wet Loonbelasting. Op grond van laatstgenoemd artikel wordt loon beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel vorderbaar en tevens inbaar wordt. De Rechtbank is van oordeel dat de BV niet aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan alle voorwaarden voor toepassing van de stamrechtvrijstelling. Vaststaat immers dat de voormalige werknemer over de ontslagvergoeding heeft beschikt doordat de BV deze heeft overgeboekt op een privé-rekening. Daarmee is het bedrag aan hem ter beschikking gesteld zodat het op die momenten is genoten in de zin van artikel 13a Wet Loonbelasting. Het standpunt van de BV dat de stamrechtovereenkomst tussen de BV en de voormalige werknemer al voor de boeking mondeling tot stand is gekomen, acht de Rechtbank niet aannemelijk. De BV heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat de wederzijdse prestaties die wezenlijk zijn voor een stamrechtovereenkomst toen al voldoende bepaalbaar waren. Hierbij neemt de Rechtbank in aanmerking dat de BV heeft verklaard dat het tot aanvankelijk niet zeker was of er überhaupt aan X een ontslagvergoeding zou worden toegekend. Verder acht de Rechtbank het niet relevant dat de voormalige werknemer zich in vooraf heeft laten adviseren met betrekking tot de totstandkoming van een stamrecht en de oprichting van een stamrecht-BV. Hieraan doet niet af dat toen ook reeds een concept-stamrechtovereenkomst is opgesteld want hieruit volgt nog niet dat toen ook de definitieve stamrechtovereenkomst tot stand is gekomen. Nu de ontslagvergoeding moet worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking en het de BV is geweest die dit loon aan de voormalige werknemer betaalt, is de BV ter zake daarvan inhoudingsplichtig. De Rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag en de boete terecht aan de BV is opgelegd.
Rb. Den Haag 3 juni 2009, nr AWB 07/9429 LB/PVV

foto_stamrecht.jpg

Postadres: Postbus 79, 7000 AB Doetinchem Bezoekadres: Keppelseweg 1-3, 7001 CE Doetinchem
Contact: Telefoon (0314) 37 22 22, , www.vwdknotarissen.nl